Wanneer bent u opgestaan?
Wanneer hebt u gedoucht?
Wanneer hebt u ontbeten?
Wat hebt u gedronken?
Wat hebt u genomen?
Wat hebt u gegeten?
Wat hebt u gelezen?
Waar bent u naartoe gereden?
Met wat hebt u gereden?
Hoeveel uur hebt u gewerkt?
Met wie hebt u gelucht?
Waar was u?
Waar bent u?
Wat hebt u gedaan?
Wat hebt u vandaag gedaan?
Wat hebt u gestudeerd?
Wat hebt u geleerd?
Wie heeft het eten gemaakt?
Wat hebt u gekookt?
Waar was u?
Hoeveel kilometer hebt u gelopen?
Waar bent u naartoe gefietst?
Met welke fiets hebt u gefietst?
Waar hebt u gedanst?
Hoeveel uur hebt u gesport?
Wat hebt u gisteren gedaan?
Wat hebt u eergisteren gedaan?
Wanneer bent u gaan slapen? = Om welk uur bent u gaan slapen?
Hoeveel uur hebt u geslapen?