New Holland – Nederlands – les 6

Zijn (to be)

Ik ben Ana.

Jij bent een student.

Hij is op kantoor. – Zij is op kantoor.

Wij zijn in Zedelgem.

Jullie zijn te laat. / te laat-> too late

Zij zijn moe. / moe -> tired

Hebben (to have)

Ik heb een meeting.

Jij hebt een boek. / boek -> book

Hij heeft een pen. – Zij heeft een pen. / pen -> pen

Wij hebben les. / les -> lesson

Jullie hebben geen les.

Zij hebben veel werk. / veel werk -> a lot of work

Drinken (to drink)

Ik drink nooit thee. / nooit -> never

Jij drinkt altijd koffie. / altijd -> always

Hij drinkt bier. – Zij drinkt bier.

Wij drinken wijn.

Jullie drinken soms wijn. / soms -> sometimes

 Zij drinken nooit wijn.

Eten (to eat)

Ik eet vandaag frieten. / frieten -> fries

Jij eet nooit vlees. / vlees -> meat

Hij eet soms vis. – Zij eet soms vis. / vis -> fish

Wij eten veel groenten. / veel groenten -> a lot of vegetables

Jullie eten een beetje fruit. / een beetje fruit -> a little bit of fruit

Zij eten vaak rijst. / vaak rijst -> often rice

Komen (to come)

Ik kom naar kantoor.

Jij komt van Brussel.

Hij komt uit Italië. – Zij komt uit Italië.

Wij komen te vroeg. / te vroeg -> too early

Jullie komen te laat. / te laat -> too late

Zij komen naar CNH.

Willen (to want)

Ik wil een koffie.

Jij wil(t) twee thees.

Hij wil(t) slapen. – Zij wil(t) slapen.

Wij willen zwemmen. / zwemmen -> to swim

Jullie willen voetballen.

Zij willen niet voetballen.

wonen (to live)

Ik woon in Brussel.

Jij woont in Gent.

Hij woont in Brugge. – Zij woont in Brugge.

Wij wonen in Vlaanderen. / Vlaanderen -> Flanders

Jullie wonen in België.

Zij wonen in Europa.

werken (to work)

Ik werk op kantoor.

Jij werkt thuis.

Hij werkt met u. – Zij werkt met u. / met u -> with you

Wij werken samen. / samen -> together

Jullie werken niet samen.

Zij werken apart. / apart -> apart / separate

lezen (to read)

Ik lees de krant. / krant -> newspaper

Jij leest een bericht. / bericht -> message

Zij leest een magazine.

Wij lezen een document.

Jullie lezen een rapport.

 Zij lezen een e-mail.

schrijven (to write)

Ik schrijf een tekst. /tekst -> text

Jij schrijft een boodschap. / boodschap -> message

Hij schrijft een brief. – Zij schrijft een brief. / brief -> letter

Wij schrijven een e-mail.

Jullie schrijven een boek.

Zij schrijven een rapport.