Zijn (to be)
Ik ben Ana.
Jij bent een student.
Hij is op kantoor. – Zij is op kantoor.
Wij zijn in Zedelgem.
Jullie zijn te laat. / te laat-> too late
Zij zijn moe. / moe -> tired
Hebben (to have)
Ik heb een meeting.
Jij hebt een boek. / boek -> book
Hij heeft een pen. – Zij heeft een pen. / pen -> pen
Wij hebben les. / les -> lesson
Jullie hebben geen les.
Zij hebben veel werk. / veel werk -> a lot of work
Drinken (to drink)
Ik drink nooit thee. / nooit -> never
Jij drinkt altijd koffie. / altijd -> always
Hij drinkt bier. – Zij drinkt bier.
Wij drinken wijn.
Jullie drinken soms wijn. / soms -> sometimes
Zij drinken nooit wijn.
Eten (to eat)
Ik eet vandaag frieten. / frieten -> fries
Jij eet nooit vlees. / vlees -> meat
Hij eet soms vis. – Zij eet soms vis. / vis -> fish
Wij eten veel groenten. / veel groenten -> a lot of vegetables
Jullie eten een beetje fruit. / een beetje fruit -> a little bit of fruit
Zij eten vaak rijst. / vaak rijst -> often rice
Komen (to come)
Ik kom naar kantoor.
Jij komt van Brussel.
Hij komt uit Italië. – Zij komt uit Italië.
Wij komen te vroeg. / te vroeg -> too early
Jullie komen te laat. / te laat -> too late
Zij komen naar CNH.
Willen (to want)
Ik wil een koffie.
Jij wil(t) twee thees.
Hij wil(t) slapen. – Zij wil(t) slapen.
Wij willen zwemmen. / zwemmen -> to swim
Jullie willen voetballen.
Zij willen niet voetballen.
wonen (to live)
Ik woon in Brussel.
Jij woont in Gent.
Hij woont in Brugge. – Zij woont in Brugge.
Wij wonen in Vlaanderen. / Vlaanderen -> Flanders
Jullie wonen in België.
Zij wonen in Europa.
werken (to work)
Ik werk op kantoor.
Jij werkt thuis.
Hij werkt met u. – Zij werkt met u. / met u -> with you
Wij werken samen. / samen -> together
Jullie werken niet samen.
Zij werken apart. / apart -> apart / separate
lezen (to read)
Ik lees de krant. / krant -> newspaper
Jij leest een bericht. / bericht -> message
Zij leest een magazine.
Wij lezen een document.
Jullie lezen een rapport.
Zij lezen een e-mail.
schrijven (to write)
Ik schrijf een tekst. /tekst -> text
Jij schrijft een boodschap. / boodschap -> message
Hij schrijft een brief. – Zij schrijft een brief. / brief -> letter
Wij schrijven een e-mail.
Jullie schrijven een boek.
Zij schrijven een rapport.