Zijn -> to be
Waar ben jij? = Waar bent u? -> Where are you?
Ben jij in Zedelgem? -> Are you in Zedelgem?
Ik ben in Zedelgem. <-> Ik ben niet in Zedelgem.
Ik ben thuis. <-> Ik ben niet thuis.
Ik ben in Frankrijk. <-> Ik ben niet in Frankrijk.
Hebben -> to have
Heb jij een wagen. ? = Hebt u een wagen ? -> Do you have a car?
Ik heb een wagen. <-> Ik heb geen wagen.
Ik heb een auto. <-> Ik heb geen auto.
Ik heb een bike. <-> Ik heb geen bike.
Ik heb een fiets. <-> Ik heb geen fiets.
Ik heb een meeting. <-> Ik heb geen meeting.
Ik heb een idee. <-> Ik heb geen idee.
Ik heb een rapport. <-> Ik heb geen rapport.
Ik heb een document. <-> Ik heb geen document.
Ik heb een e-mail. <-> Ik heb geen e-mail.
Ik heb een computer. <-> Ik heb geen computer.
Ik heb een computer thuis. <-> Ik heb geen computer thuis.
Drinken -> to drink
Ik drink. <-> Ik drink niet.
Ik drink een pintje. <-> Ik drink geen pintje.
Eten -> to eet
Ik eet. <-> Ik eet niet.
Ik eet thuis. <-> Ik eet niet thuis.
Ik eet een spaghetti. <-> Ik eet geen spaghetti.
Slapen -> to sleep
Ik slaap. <-> Ik slaap niet.
Ik slaap thuis. <->Ik slaap niet thuis.
Ik slaap in Brussel. <-> Ik slaap niet in Brussel.
werken -> to work
Ik werk. <-> Ik werk niet.
Ik werk vandaag. <-> Ik werk niet vandaag. = Ik werk vandaag niet.
Ik werk in Zedelgem. <-> Ik werk niet in Zedelgem.
Waar werk jij vandaag? = Waar werkt u vandaag?
Waar werk jij morgen? = Waar werkt u morgen?
Werk jij thuis? = Werkt u thuis?
Ja, ik werk thuis.
Nee, ik werk niet thuis
Misschien -> maybe
Ik werk misschien thuis.
Werk jij in Zedelgem?
Werk jij thuis of in Zedelgem?
In de morgen werk ik thuis.
In de namiddag werk ik in Zedelgem.
Willen-> to want
samen -> together
Wat wil jij doen? = Wat wilt u doen?
Wil jij samen eten? = Wilt u samen eten?
Willen jullie samen eten?
Ja
Moeten -> have to (obligation)
Wat moet jij doen? = Wat moet u doen?
Ik moet werken.
Ik moet naar een meeting gaan. = Ik moet naar een meeting.
Ik moet naar CNH gaan. = Ik moet naar CNH.
Ik moet naar huis gaan. = Ik moet naar huis.
Wonen -> to live
Met -> with
Alleen -> alone
Of -> or
Woon jij samen of alleen?
Ik woon alleen.
Ik woon samen met mijn partner.
Ik woon samen met mijn vriend.
Ik woon samen met mijn vrienden.
Ik woon samen met mijn vriendin.
Ik woon samen met mijn vrouw.
Ik woon samen met mijn man.
Ik woon samen met mijn vrouw en mijn kind.
Ik woon samen met mijn vrouw en mijn kinderen.
Ik woon samen met mijn man en mijn kind.
Ik woon samen met mijn man en mijn kinderen.
Hoelang -> How long?
maand -> month
jaar -> year
Hoelang woon jij al in België? = Hoelang woont u al in België?
Vier maanden = Ik woon al vier maanden in België.
Zeven jaar = Ik woon al zeven jaar in België.
Gaan -> to go
Hoe? -> How?
Hoe ga jij naar CNH? = Hoe gaat u naar CNH?
Met de auto. = Met de wagen.
Ik ga met de auto naar CNH. = Ik ga met de wagen naar CNH.
Met de trein.
Ik ga met de trein naar CNH.
Met de bus.
Ik ga met de bus naar CNH.
Met de bike. = Met de fiets.
Ik ga met de bike naar CNH. = Ik ga met de fiets naar CNH.