Les 9: welke – welk – wat – waar – wanneer – hoe – hoeveel

Welke kleur heeft die pen?
De pen is grijs. = De pen heeft een grijze kleur.

Welke kleuren hebben die pennen?
Die pennen zijn grijs. = Die pennen hebben een grijze kleur.

Welke kleur heeft dat boek?
Dat boek is blauw. = Dat boek heeft een blauwe kleur.

Welke kleur heeft het?
Het is blauw. = Het heeft een blauwe kleur.

Welke kleur hebben die boeken?
Die boeken zijn blauw. = Die boeken hebben een blauwe kleur.

Welke kleuren hebben ze?
Ze zijn blauw. = Ze hebben een blauwe kleur.

Welk boek ligt op de tafel?
Het blauwe boek ligt op de tafel.

Welke boeken liggen op de tafel?
De blauwe boeken liggen op de tafel.

Welke kleur heeft de fles?
De fles is blauw. = De fles heeft een blauwe kleur.

Welke telefoon ligt op de tafel?
De telefoon van de leraar ligt op de tafel.
Anna’s telefoon ligt op de tafel.

Wat ligt op de tafel?
De citroenen koekjes liggen op de tafel.

Waar bent u? = Waar ben jij?
Ik ben thuis.
Ik ben op (het) kantoor.

Welke taal spreekt u? = Welke taal spreek jij?
Ik spreek Engels en Arabisch.

Welke talen spreekt u thuis?= Welke talen spreek jij thuis?
Wij spreken thuis Engels. = Wij spreken Engels thuis.

Welke talen spreken jullie thuis?
Wij spreken thuis Engels. = Wij spreken Engels thuis.

Welke talen spreken jullie op kantoor?
Wij spreken op kantoor Engels. = Wij spreken Engels op kantoor.

Welke talen spreekt uw kind? = Welke talen spreekt jouw kind?
Mijn kind spreekt Bulgaars, Engels, Frans en Nederlands.

Welke talen spreken uw kinderen? = Welke talen spreken jouw kinderen?
Mijn kinderen spreken ……. en ……….

Welke taal leert u (nu)? = Welke taal leer jij (nu)?
Ik leer ……

Hoeveel T-shirts heeft u? =
Hoeveel T-shirts hebt u? =
Hoeveel T-shirts heb jij?
Ik heb 10 T-shirts.
Ik heb teveel T-shirts om te tellen.
Ik weet het niet. (k-weet-et-ni)

Hoeveel kinderen heeft u? =
Hoeveel kinderen hebt u? =
Hoeveel kinderen heb jij?
Ik heb …. kinderen.

Hoeveel dieren heeft u? =
Hoeveel dieren hebt u? =
Hoeveel dieren heb jij?
Ik heb twee dieren.

Hoeveel katten heeft u? =
Hoeveel katten hebt u? =
Hoeveel katten heb jij?
Ik had een kat.
Hij is gestorven. = Hij is dood.

Hoe oud was de kat?
Hij was twaalf 12 jaar.

Hoe oud bent u? = Hoe oud ben jij?
Ik ben veertig 40 jaar.

Wanneer is uw verjaardag? =
Wanneer is jouw verjaardag?
Mijn verjaardag is op twee 2 januari
Mijn verjaardag is op vijftien 15 maart
Mijn verjaardag is op zevenentwintig 27 mei
Mijn verjaardag is op vijfentwintig 25 augustus

januari – februari – maart – april – mei – juni
juli – augustus – september – oktober – november – december

Hoeveel cadeaus heeft u gekregen? =
Hoeveel cadeaus hebt u gekregen? =
Hoeveel cadeaus heb jij gekregen?
Ik heb drie 3 cadeaus gekregen.

Hoeveel geschenken heeft u gekregen? =
Hoeveel geschenken hebt u gekregen? =
Hoeveel geschenken heb jij gekregen?
Ik heb drie 3 geschenken gekregen.