Hoeveel …. hebt u? = Hoeveel …. heeft u?
Hoeveel …. heb jij?
Hoeveel pennen hebt u?
Ik heb (1) één pen.
Ik heb (2) twee pennen.
Hoeveel telefoons hebt u?
Ik heb (1) één telefoon.
Ik heb (2) twee telefoons.
Hoe oud bent u? Ik ben …. (jaar)
Hoe oud ben jij? Ik ben … (jaar)