Les 4: Wie? – Wat? – Welke? – Hoe? – Waar?

Wie bent u?

Hoe heet u? = Hoe heet jij?

Wat is uw naam?

Bent u een Belgische? = Ben jij een Belgische?

Bent u een Belg? = Ben jij een Belg?

Welke nationaliteit heeft u ……? = Welke nationaliteit heb jij?

Wie is uw team manager?

Hoe heet uw collega?

Is  Maria een man?

Is Marco een vrouw?

Wat is dit ?

Is dit een boek?

Is dit een boek of een pen?

Wat is dat?

Is dat een beker of een kop?

Hoe gaat het?

Waar woont u? = Waar woon jij?

Welke kleur is dit?

Welke kleur heeft uw gsm?