Hi = Hello
Goed -> good
Goeie morgen = goede morgen
Goeie middag = goede middag
Goeie namiddag = goede namiddag
Goeie avond = goede avond
Goeie nacht = goede nacht
Hoe? -> How?
Hoe gaat het? -> How are you?
Hoe is het? (hoe-is-t) -> How is it?
Goed (goe) -> good
Niet zo goed (ni zo goe) -> not so good
Normaal = OK
Tamelijk -> so and so
Slecht -> bad
Druk -> buzzy
En -> and
En jij? = En u? ->And you?
Waar -> Where
Waar ben jij? = Waar bent u?
Waar werk jij? = Waar werkt u?
Vandaag -> Today
Waar werk jij vandaag? = Waar werkt u vandaag?
Thuis. = Ik werk thuis. = Ik werk thuis vandaag. = Vandaag werk ik thuis.
Ook -> also
Ik werk ook thuis.
Morgen -> tomorrow
Waar werk jij morgen? = Waar werkt u morgen?
In Zedelgem. = Ik werk in Zedelgem.
Ik werk in Zedelgem morgen. = Morgen werk ik in Zedelgem.
niet (ni) -> not
Ik werk niet in Zedelgem morgen. Ik werk thuis.
Ik werk ni in Zedelgem morgen. Ik werk thuis.
Ik werk niet. = Ik werk ni.
Ik drink niet. = Ik drink ni.
geen -> no
Ik heb geen iPhone.
Ik heb geen pintje.
Hoeveel -> How many? How much?
Hoeveel pintjes wil jij?
Ik wil zeven pintjes.