Les 2: niet & geen


Ik werk. <-> Ik werk niet.

Ik eet. <-> Ik eet niet.

Dit is een meisje. <-> Dit is geen meisje.


Neutraal -> het meisje


Dit is een vrouw. <-> Dit is geen vrouw.


Vrouwelijk -> de vrouw


Dit is een man. <-> Dit is geen man.


Mannelijk -> de man


Dit is een jongen. <-> Dit is geen jongen.


Dit is een kleine jongen. <-> Dit is geen kleine jongen.


Dit is een baby. <-> Dit is geen baby.

Een tafel.


Een stoel.


Een pen.


Een boek.


Een pintje.


Wat is dit?
Ik weet het niet.


(= k-weet-et-ni)

Een tafel en een stoel.


Een tafel of een stoel.


Het is geen tafel, maar een stoel.