Zinnen met werkwoorden van pag. 34
Ik ben in het kantoor.
Zij heeft zijn computer.
Wij wonen allemaal in Brussel.
Mijn moeder heet Nora, maar haar Chinese naam is Jana.
Mijn schoonmoeder heet Ruth, maar ze wil dat we Ruthy zeggen.
Het boek staat in de boekenkast. = Het boek staat in de bibliotheek.
De kaart van het kantoor hangt aan de muur.
Jullie schrijven een brief voor een klant.
Jullie schrijven een brief aan een klant.
Ik lees nu het boek The witcher. = Nu lees ik het boek The witcher.