New Holland – Nederlands les 13: Activiteiten van de dag

opstaan – douchen – ontbijten – drinken – nemen – eten – lezen – rijden – werken – lunchen – thuiskomen – doen – studeren – leren – maken – koken – lopen – fietsen – dansen – sporten – kijken – luisteren – slapen


opstaan
thuiskomen
prefix
Ik sta op
Ik kom thuis
Ik ben – opgestaan
Ik ben – thuisgekomen

douchen
werken
lunchen
maken
koken
fietsen
dansen
sporten
soft ketchup ->t
Ik douch
Ik werk
Ik lunch
Ik maak
Ik kook
Ik fiets
Ik dans
Ik sport
Ik heb – gedoucht
Ik heb – gewerkt
Ik heb – geluncht
Ik heb – gemaakt
Ik heb – gekookt
Ik heb – gefietst
Ik heb – gedanst
Ik heb – gesport

studeren
leren
luisteren
->d
Ik studeer
Ik leer
Ik luister
Ik heb – gestudeerd
Ik heb – geleerd
Ik heb – geluisterd

lezen
lopen
slapen
eten
->en
Ik Iees
Ik loop
Ik slaap
Ik eet
Ik heb – gelezen
Ik heb – gelopen
Ik heb – geslapen
Ik heb – gegeten

kijken
rijden
ij -> e
Ik kijk
Ik rijd


Ik heb – gekeken
Ik ben naar – gereden
Ik heb met – gereden

drinken
i-> o
ik drinkIk heb – gedronken

nemen
e-> o
Ik neemIk heb – genomen
doenIk doeIk heb – gedaan

ontbijten
ont-> ont
Ik ontbijtIk heb – ontbeten


Wanneer bent u opgestaan?
Om kwart voor zeven (6:45).

Wanneer hebt u gedoucht?
Om zeven uur dertig (7:30). = Om half acht.


Wanneer hebt u ontbeten?
Om kwart over acht = Om kwart na acht (8:15).


Wat hebt u gedronken?
(Een) koffie.


Wat hebt u genomen?
(Een) thee.


Wat hebt u gegeten?
Brood met kaas.


Wat hebt u gelezen?
Mijn e-mails.


Waar bent u naartoe gereden?
(Naar) Brugge.


Met wat hebt u gereden?
(Met) de auto.


Met wie hebt u geluncht?
Met mijn collega’s.


Hoeveel uur hebt u gewerkt?
Acht (uur).


Waar was u?
Bij CNH.


Waar bent u?
Ik ben juist thuisgekomen.


Wat hebt u gedaan?
Ik heb de afwas gedaan.


Wat hebt u vandaag gedaan?
Ik heb boodschappen gedaan.


Wat hebt u gestudeerd?
Nederlands.


Wat hebt u geleerd?
Nederlands.


Wie heeft het eten gemaakt?
Ik heb het eten gemaakt.


Wat hebt u gekookt?
Aardappelen.


Waar was u?
Op de parking.


Hoeveel kilometer hebt u gelopen?
Vijf (kilometer).


Waar bent u naartoe gefietst?
(Naar) kantoor.


Met welke fiets hebt u gefietst?
(Met) uw fiets.


Waar hebt u gedanst?
In de sporthal.


Hoeveel uur hebt u gesport?
Vier (uur).


Wat hebt u gisteren gedaan?
(Naar) TV gekeken.


Wat hebt u eergisteren gedaan?
Naar de radio geluisterd.


Wanneer bent u gaan slapen?
(Om) tien uur.


Om welk uur bent u gaan slapen?
(Om) tien uur.


Hoeveel uur hebt u geslapen?
Acht (uur).