opstaan – douchen – ontbijten – drinken – nemen – eten – lezen – rijden – werken – lunchen – thuiskomen – doen – studeren – leren – maken – koken – lopen – fietsen – dansen – sporten – kijken – luisteren – slapen
opstaan thuiskomen prefix | Ik sta op Ik kom thuis | Ik ben – opgestaan Ik ben – thuisgekomen |
douchen werken lunchen maken koken fietsen dansen sporten soft ketchup ->t | Ik douch Ik werk Ik lunch Ik maak Ik kook Ik fiets Ik dans Ik sport | Ik heb – gedoucht Ik heb – gewerkt Ik heb – geluncht Ik heb – gemaakt Ik heb – gekookt Ik heb – gefietst Ik heb – gedanst Ik heb – gesport |
studeren leren luisteren ->d | Ik studeer Ik leer Ik luister | Ik heb – gestudeerd Ik heb – geleerd Ik heb – geluisterd |
lezen lopen slapen eten ->en | Ik Iees Ik loop Ik slaap Ik eet | Ik heb – gelezen Ik heb – gelopen Ik heb – geslapen Ik heb – gegeten |
kijken rijden ij -> e | Ik kijk Ik rijd | Ik heb – gekeken Ik ben naar – gereden Ik heb met – gereden |
drinken i-> o | ik drink | Ik heb – gedronken |
nemen e-> o | Ik neem | Ik heb – genomen |
| doen | Ik doe | Ik heb – gedaan |
ontbijten ont-> ont | Ik ontbijt | Ik heb – ontbeten |
Wanneer bent u opgestaan?
Om kwart voor zeven (6:45).
Wanneer hebt u gedoucht?
Om zeven uur dertig (7:30). = Om half acht.
Wanneer hebt u ontbeten?
Om kwart over acht = Om kwart na acht (8:15).
Wat hebt u gedronken?
(Een) koffie.
Wat hebt u genomen?
(Een) thee.
Wat hebt u gegeten?
Brood met kaas.
Wat hebt u gelezen?
Mijn e-mails.
Waar bent u naartoe gereden?
(Naar) Brugge.
Met wat hebt u gereden?
(Met) de auto.
Met wie hebt u geluncht?
Met mijn collega’s.
Hoeveel uur hebt u gewerkt?
Acht (uur).
Waar was u?
Bij CNH.
Waar bent u?
Ik ben juist thuisgekomen.
Wat hebt u gedaan?
Ik heb de afwas gedaan.
Wat hebt u vandaag gedaan?
Ik heb boodschappen gedaan.
Wat hebt u gestudeerd?
Nederlands.
Wat hebt u geleerd?
Nederlands.
Wie heeft het eten gemaakt?
Ik heb het eten gemaakt.
Wat hebt u gekookt?
Aardappelen.
Waar was u?
Op de parking.
Hoeveel kilometer hebt u gelopen?
Vijf (kilometer).
Waar bent u naartoe gefietst?
(Naar) kantoor.
Met welke fiets hebt u gefietst?
(Met) uw fiets.
Waar hebt u gedanst?
In de sporthal.
Hoeveel uur hebt u gesport?
Vier (uur).
Wat hebt u gisteren gedaan?
(Naar) TV gekeken.
Wat hebt u eergisteren gedaan?
Naar de radio geluisterd.
Wanneer bent u gaan slapen?
(Om) tien uur.
Om welk uur bent u gaan slapen?
(Om) tien uur.
Hoeveel uur hebt u geslapen?
Acht (uur).