Aan de receptie
Hebt u een afspraak? Voor wie komt u?
Voor mevrouw …/meneer …
Met wie hebt u een afspraak?
Met mevrouw … / meneer …
Momentje alstublieft. Gaat u zitten
Ik verwittig mevrouw …/meneer … = Ik roep mevrouw …/meneer …
Scenario 1: Zij komt (zo)/ Hij komt (zo)
Kom maar mee naar de meeting room. Wilt u water, een koffie, een thee?
Water alstublieft
Ik breng dat (zo)
Scenario 2: Sorry mevrouw …/meneer is (nog) in een meeting.
Die duurt nog tien minuten.
U kan hier wachten.
U kan in de meeting room wachten. = U kan wachten in de meeting room.
Scenario 3: Sorry mevrouw …/meneer … is er niet.
Zij/hij werkt thuis vandaag. Ik zal haar/hem contacteren. Misschien komt hij/zij nog.
Scenario 4: Sorry ik kan mevrouw …/meneer … niet contacteren.
Zij/hij zal een nieuwe afspraak maken.
Het spijt mij echt.