Ik ben klein.
Ik heb halflang haar.
Mijn haar is golvend.
Ik ben sportief.
Ik ben zestig jaar.
Ik ben groot.
Ik ben slank.
Ik heb een coupe carré.
Ik ben veertig jaar.
Ik ben klein, maar niet te dik.
Ik heb lang bruin haar.
Mijn ogen zijn soms groen en soms grijs.
Ik ben serieus, maar ik lach graag.
Mijn vader is ook klein.
Hij is ook serieus.
Hij heeft grijs haar.
Mijn moeder was groot.
Ze had altijd kort haar.
Ze was heel slim.
Bruin (brune)
Grijs (gris)
Groen (vert)
Blauw (bleu)
Rood (rouge)
Geel (jaune)
Oranje (orange)
Zwart (noir)
Wit (blanc)
Welke kleur is de ….? = Welke kleur heeft de ….?
De tafel is bruin. – De tafels zijn bruin.
(tafel -> table)
De deur is grijs. – De deuren zijn grijs.
(deur -> porte)
De stoel is groen. – De stoelen zijn groen.
(stoel -> chaise)
De kast is blauw. – De kasten zijn blauw.
(kast -> armoire)
De theepot is rood. – De theepotten zijn rood.
(theepot -> théière)
De koffiemachine is geel. – De koffiemachines zijn geel.
(koffiemachine -> machine à café)
De schotel is oranje. – De schotels zijn oranje.
(schotel ->soucoupe, assiette)
Welke kleur is het ….? = Welke kleur heeft het …..?
Het kopje is zwart. – De kopjes zijn zwart.
(kopje-> tasse)
Het bord is wit. – De borden zijn wit.
(bord -> assiette)
Het bestek is grijs. – De bestekken zijn grijs.
(bestek -> couvert)
—
De vork is grijs. – De vorken zijn grijs.
(vork-> fourchette)
De lepel is grijs. – De lepels zijn grijs.
(lepel -> cuillière)
Het lepeltje is grijs. – De lepeltjes zijn grijs.
(lepeltje -> petite cuillière)
Het mes is grijs. – De messen zijn grijs.
(mes->couteau)
Welke kleur is uw broek? = Welke kleur heeft uw broek?
Mijn broek is blauw.
Welke kleur is uw T-shirt?
Mijn T-shirt is rood.
Welke kleur is uw jurk?
Mijn jurk is geel.
Welke kleur is uw rok?
Mijn rok is oranje.
Welke kleur zijn uw schoenen? = Welke kleur hebben uw schoenen?
Mijn schoenen zijn zwart.
Welke kleur zijn uw kousen?
Mijn kousen zijn wit.
Wat wil jij kopen? = Wat wilt u kopen?
Ik wil een grijze broek. – Ik wil grijze broeken.
Ik wil een groene broek.
Ik wil een blauwe broek.
Ik wil een rode broek.
Ik wil een gele broek.
Ik wil een oranje broek.
Ik wil een zwarte broek.
Ik wil een witte broek.
Wat heb jij nodig? = Wat hebt u nodig?
Ik heb een blauwe broek nodig.
Ik moet een blauwe broek hebben.
Waarom?
Ik wil een grijze broek om te werken.
Ik wil een grijze broek voor het werk.
Ik heb een grijze broek nodig om te werken.
Ik heb een grijze broek nodig voor het werk.
Ik moet een grijze broek hebben om te werken.
Ik moet een grijze broek hebben voor het werk.
tien
20 twintig
eenentwintig tweeëntwintig drieëntwintig vierentwintig vijfentwintig
zesentwintig zevenentwintig achtentwintig negenentwintig
30 dertig
eenendertig tweeëndertig drieëndertig vierendertig vijfendertig
zesendertig zevenendertig achtendertig negenendertig
40 veertig
eenenveertig tweeënveertig drieënveertig vierenveertig vijfenveertig
zesenveertig zevenenveertig achtenveertig negenenveertig
50 vijftig
eenenvijftig tweeënvijftig drieënvijftig vierenvijftig vijfenvijftig
zesenvijftig zevenenvijftig achtenvijftig negenenvijftig
60 zestig
eenenzestig tweeënzestig drieënzestig vierenzestig vijfenzestig
zesenzestig zevenenzestig achtenzestig negenenzestig
70 zeventig
eenenzeventig tweeënzeventig drieënzeventig vierenzeventig vijfenzeventig
zesenzeventig zevenenzeventig achtenzeventig negenenzeventig
80 tachtig
eenentachtig tweeëntachtig drieëntachtig vierentachtig vijfentachtig
zesentachtig zevenentachtig achtentachtig negenentachtig
90 negentig
eenennegentig tweeënnegentig drieënnegentig vierennegentig vijfennegentig zesennegentig zevenennegentig achtennegentig negenennegentig
100 honderd
Wat is er?
Ik heb pijn.
Waar heb je pijn?
Ik heb rugpijn.
Ik heb hoofdpijn. = Ik heb koppijn.
Ik heb pijn aan mijn hoofd.
Ik heb pijn aan mijn been.
Ik heb pijn aan mijn benen.
Ik heb pijn aan mijn hand.
Ik heb pijn aan mijn handen.
Ik heb pijn aan mijn voet.
Ik heb pijn aan mijn voeten.
Ik heb pijn aan mijn dij. = Ik heb pijn aan mijn bil.