Wanneer bent u opgestaan?
Om zeven (uur).
Wanneer hebt u gedoucht?
Om zeven uur dertig.
Wanneer hebt u ontbeten?
Om acht (uur).
Wat hebt u gedronken?
(Een) koffie.
Wat hebt u genomen?
(Een) thee.
Wat hebt u gegeten?
Brood.
Wat hebt u gelezen?
De krant.
Waar bent u naartoe gereden?
(Naar) Brugge.
Met wat hebt u gereden?
(Met) de auto.
Hoeveel uur hebt u gewerkt?
Acht (uur).
Met wie hebt u gelucht?
Met hem.
Waar was u?
Ik ben snel naar hier gekomen.
Waar bent u?
Ik ben thuisgekomen.
Wat hebt u gedaan?
Ik heb de afwas gedaan.
Wat hebt u vandaag gedaan?
Ik heb boodschappen gedaan.
Wat hebt u gestudeerd?
Nederlands.
Wat hebt u geleerd?
Nederlands.
Wie heeft het eten gemaakt?
Ik heb vanavond eten gemaakt.
Wat hebt u gekookt?
Aardappelen.
Waar was u?
Ik ben naar kantoor gegaan.
Hoeveel kilometer hebt u gelopen?
Vijf (kilometer).
Waar bent u naartoe gefietst?
(Naar) kantoor.
Met welke fiets hebt u gefietst?
(Met) uw fiets.
Waar hebt u gedanst?
In de sporthal.
Hoeveel uur hebt u gesport?
Vier (uur).
Wat hebt u gisteren gedaan?
(Naar) TV gekeken.
Wat hebt u eergisteren gedaan?
Naar de radio geluisterd.
Wanneer bent u gaan slapen?
(Om) tien uur.
Om welk uur bent u gaan slapen?
(Om) tien uur.
Hoeveel uur hebt u geslapen?
Acht (uur).
—
EXTRA:
Wat hebt u gisteren gedaan?
Ik heb fruitsap gedronken.
Ik heb melk gedronken.
Ik ben naar het centrum gegaan.
Ik ben naar de winkel gegaan.
Ik heb aardappelen gekocht.
Ik heb 8 kilo aardappelen gekocht, 5 kilo voor mijn vader en 3 kilo voor mij.
Ik heb in de keuken gewerkt.
Ik heb veel schotels gemaakt.
Ik heb thuis gedanst.
Ik heb in de disco gedanst.